Mijn moeder en vader zitten in de gevangenis. Ik ben een leerling op de middelbare school die probeert om voor te bereiden voor het centraal examen. Voordat we nog konden begrijpen wat er gebeurde, is allereerst mijn vader opgepakt. Vervolgens is mijn moeder wel drie keer in voorlopige hechtenis genomen en weer vrijgelaten.

Wij zijn 4 broers en zussen waarvan ik de oudste ben. Terwijl twee van ons op de middelbare school zitten, is de allerjongste vier jaar oud. Onze oma van mijn moeders kant verzorgt ons.

De allerjongste zegt, kijkend naar foto’s van onze ouders, dat hij nooit meer vervelend gaat doen, als ze maar terug komen. De dagen gaan al pratend met foto’s voorbij. Schoolprestaties van de middelste twee zijn achteruit gegaan, terwijl ik regelmatig de deuren van de rechter en officier van justitie aan blijf kloppen. In psychologisch opzicht zijn wij erg negatief beïnvloed.

Toen mijn oma onze toestand aan de officier van justitie vertelde en eiste voor ten minste de vrijspraak van een van mijn ouders omdat zij ons niet de nodige zorg kan bieden, heeft hij hierop gereageerd door te zeggen dat mijn oma ons dan maar aan de jeugdzorg moet overdragen.

De cel waarin mijn moeder nu verblijft is veels te druk. Ze heeft haar bed gegeven aan een nieuwkomer waardoor zij op de grond slaapt.

Geen enkele overheidsinstantie biedt ons hulp. Ze behandelen ons als vuil. “Voor diegenen als jullie zal de overheid geen steun bieden”, wordt tegen ons gezegd.

Noch mijn ouders, noch wij zijn schuldig. Ik kan de slachtofferschap waarin wij ons verkeren niet begrijpen. Ze moeten mijn moeder of vader vrijspreken. Wij hebben onze ouders nodig.

Wij maken een moeilijke tijd door. In het gebied waar wij wonen kijkt niemand ons gezicht aan. Wij hopen op jullie gebeden voor een einde van onze slachtofferschap.